© George Burggraaff
© 2010 George Burggraaff


Toelichting bij Tao tekst 39

Deze tekst gaat over de overgang van niets naar iets.
De overgang van de Tao naar het zichtbare,
hemel en aarde en alles wat er is,
de overgang naar de wereld van de daad,
het zijn en onze omgang ermee.

De volgorde is interessant:
hemel, aarde, de goden (dit is het eerdere leven, de voorouders),
het dal (de bron van het leven, zie ook tekst 6),
de materie (alles wat er is), en tot slot de heersers.

Het Ene gaat vooraf aan twee en drie.
Het is het begin van alle materie.
Het maakt groei mogelijk, het leven.
Zonder het ene zou er niets zijn.
Het ene geeft ons kansen.
In zekere zin is alles er schatplichtig aan.

Vanuit niets kun je iets worden.
Niets gaat vooraf aan iets.
Dit dient iedereen die iets is zich te realiseren.
Echte heersers doen dat.
Nederigheid en eenvoud zijn altijd gepast.
Een karakteristiek Taoïstisch trekje.
Geen (voor)ouders en partner is in het Confucianisme
de laagste status. Dit is een aanwijzing dat deze tekst
invloed van het latere Confucianisme heeft ondergaan.
Pronken en glimmen (zoals jade) is ongepast.

Opmerkelijk, zo'n kreet er tussen door als 'Niet dan?'
Zoiets staat er echt in de oorspronkelijke tekst.
Opeens wordt de tekst levendig.
Of niet soms?
De zin over de zegekar ontbreekt in sommige versies.
Gezellig 'rommelen als een rots', dat dan weer wel.
De Tao is soms zelfs grappig! Zie ook tekst 41.

De volgende Tao teksten gaan ook over het ene:
14, 22, 23, 39. 42,